De aanslag op de fabriek ‘Electro’

De zaak van de zuur- en waterstoffabriek ‘Electro’ werd door de beeldhouwer Johan Limpers onder de aandacht gebracht. Van een bevriende ingenieur bij het bedrijf had hij vernomen dat de fabriek een belangrijke toeleverancier was van zuurstof- en acetyleengas. Door de transformatoren in de fabriek onklaar te maken zou ook veel werk bij metaalbedrijven stagneren. Die werkten veelal voor de Duitsers.

De zaak werd door Gerben Wagenaar besproken in de Raad van verzet en besloten werd om op 7 april 1944 de fabriek onklaar te maken. Een week voor die datum deed zich de gunstige gelegenheid voor dat er op dat moment herstelwerkzaamheden werden verricht. Hoewel de groep nog niet over voldoende trotyl en ontstekingsmiddelen beschikte, werd besloten de aanslag door te zetten. Gerrit van der Veen zorgde voor de explosieven. De vrouw van Gerben Wagenaar zorgde voor de pistolen.

Op vrijdagavond 31 maart 1944 verzamelde de overvalploeg zich in Amsterdam. Jan Brasser: “We hebben eerst een tijd in een atelier van een schilder vlak bij de Jodenbreestraat gezeten. Daar hebben we de zaak doorgesproken en vandaar gingen we op weg. Trotyl, ontstekingsmateriaal en allemaal een pistool. De bekende lappen met gaten voor de ogen ook mee. We, dat zijn Jan Bonekamp, Ferry van der Ham – een Utrechtse jongen die later op het station van Utrecht doodgeschoten is –, Gerben Wagenaar, Joop Asjes uit Alkmaar, Meindert van der Horst, Joop Jongh en ik.”

Ze drongen de portiersloge binnen en overmeesterden de twee portiers. De arbeiders van de nachtdienst werden opgesloten in het ziekenzaaltje en de telefoonlijnen doorgesneden, om te voorkomen dat er alarm werd geslagen. Brasser: “Ze vonden dat overigens best hoor, toen ze hoorden wat de bedoeling was.”

De drie grote transformatoren stonden in een bunker waarvan Johan Limpers de sleutels had geregeld. Op de schets van de ingenieur was ook aangegeven waar de explosieven geplaatst moesten worden, om met het minimale gebruik van trotyl de transformatoren onklaar te maken. Onder elke transformator was een kruipruimte, maar die bleek veel lager te zijn dan op de tekening was aangegeven. Alleen met de grootste moeite lukte het ze de explosieven te plaatsen. Ze werden verschrikkelijk smerig.

Jan Brasser: “Dus nummer een, twee en drie hadden we gedaan. Trotyl eronder, de ouwe ontstekingsmanier met cellofaan en zuur. Nou, in orde!? Jan Bonekamp zei: Ik heb met dat zuur gemorst bij de derde. Ik zal er nog wat bijgieten. Hij er weer onder en nog een beetje uit het flesje van dat zuur op het cellofaan gegoten. Nou en wij gingen snel weg.”

Diegenen die lopend waren gekomen, waren al weg. Jan Brasser zat achterop de fiets bij Jan Bonekamp. Toen ze vlakbij de fabriek van Fokker kwamen klonk de eerste explosie. Bij Fokker was niet alleen Nederlandse bedrijfspolitie aanwezig, maar ook Duitse Feldgendarmerie, want het was een strategisch belangrijke, ‘kriegswichtige’ fabriek.

Jan Brasser: “Ik denk toch wel dat het kwam door het ‘beetje extra’ van Jan Bonekamp. Bij die politie ging een deur open en je zag licht! Dat was op zichzelf al iets bijzonders als je licht zag, want alles moest verduisterd zijn. Maar goed, er kwamen twee man naar buiten en je kon ze goed zien. En ik meteen luid roepend achter op die fiets: ‘Verdomme, ze gooien tegenwoordig bommen en dan pas maken ze alarm!’ Of ze dat gehoord hebben weet ik niet, maar wij fietsten door en er werd verder door die politie niet gereageerd. We stonden net op de IJ-pont om richting Centraal Station te varen: een dreun en we hoorden de tweede explosie. Toen we aan de overkant waren, hoorden we de derde.”

Gerben Wagenaar: “Toen we klaar waren kwamen een paar arbeiders uit het bedrijf naar beneden. We waarschuwden hen, maar ze wilden geboeid en opgesloten worden. Dat deden we, maar het werkte vertragend. Nog op de Asterweg hoorden we de eerste klap. Bij de brug van de Ranonkelkade stond mijn vrouw, die de tas met pistolen weer overnam. Brasser en ik zijn toen eerst naar mijn moeder gegaan, in de Van der Pekstraat, om ons een beetje op te knappen. Ik had haar al die jaren niet gezien.”

Van de Zaanse verzetsstrijder Kees Beernink hoorde Jan Brasser naderhand dat er in Amsterdam maandenlang geen acetyleengas meer te verkrijgen was. De fabriek lag stil en daarmee stagneerde ook het werk bij allerlei metaalbedrijven.

Bronnen:

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *