Politieke brief van de CPN over anti-semitisme

Gerard Maas, Kroniek van de Februari-staking 1941, uitgeverij Pegasus 1961, blz. 95-100:

“De communisten gaven de politieke grondslag voor het verzet tegen de nazi- en NSB-terreur. De opvattingen van de communisten over het wezen van het anti-semitisme werden neergelegd in een politieke brief, die, geschreven door de algemeen secretaris van de CPN, Paul de Groot, aan de leden werd afgegeven.
Dit, voor de historie zo belangrijke document over een zo belangrijk vraagstuk als het anti-semitisme, legde de ideologische basis voor de Februari-staking.

“Het anti-semitisme is voor de nazi’s een der gewichtigste middelen om hun doel te bereiken, n.l. de invoering van de fascistische dictatuur, de nationale onderwerping van het Nederlandse volk, de verduitsing van Nederland en de annexatie bij het Duitse Rijk.

Immers, het fascisme is de heerschappijvorm van het imperialistisch groot-kapitaal, dat door middel van oorlog en gewelddadige dictatuur andere volkeren onderwerpt en uitbuit.

Daartoe heeft het behoefte aan het opzwepen van verschillen in nationaliteit en afkomst tot ziedende nationale- en rassenhaat, waardoor het volk in de roes wordt gebracht, die voor het voeren van een roofoorlog onmisbaar is.

Het fascisme is de heerschappijvorm van het imperialistische grootkapitaal, dat de arbeidersklasse geheel tot slaaf maakt, de klassenstrijd der arbeiders voor hun bestaan en hun rechten op gewelddadige wijze onderdruk, haar zelfstandige organisatie vernietigt of steelt.

De nationale- en rassenhaat zijn oude en beproefde middelen van de kapitalistische uitbuiters, die steeds door hen gebruikt worden om de arbeiders de hun door het kapitaal opgelegde offers te doen dragen om de klassenstrijd te overstemmen, om de klasse-eenheid en solidariteit der arbeiders te breken.

Het is daarom, dat de Duitse nazi’s bij hun streven om in Nederland een Mussert-bewind op te richten en het fascisme in te voeren en daardoor Nederland te annexeren, het jodenvraagstuk tot hun stormram tegen het Nederlandse volk willen gebruiken. En, daar hier geen jodenvraagstuk was, hebben zij er een GEMAAKT.

Dit jodenvraagstuk moet als bliksemafleider dienen voor de verontwaardiging der massa’s over de oorlog en de ellende der bezetting (de joden hebben de oorlog veroorzaakt) om de aandacht van het imperialisme af te leiden.

Het jodenvraagstuk moet als splijtzwam dienen onder het Nederlandse werkende volk door het tegen elkaar ophitsen van “ariërs” en “joden”, “bastaard-joden” enz. enz.

Het moet de klassentegenstellingen vervalsen en de arbeiders in verwarring brengen over hun werkelijke klassevijanden door de voorstelling, dat alle joden kapitalisten zijn (terwijl de grote meerderheid der Nederlandse joden armoe lijdt) terwijl de rijke “ariërs”, in het bijzonder de Duitsers, als “volksgenoten” worden voorgesteld.

Het moet de arbeiders- en middenstandsorganisaties ontwrichten door hen tal van goede leden en kaders van “joodsen bloede” af te nemen en zodoende de vernietiging of onderdrukking van deze organisaties door de NSB te vergemakkelijken.

“De nazi’s hebben tenslotte in Nederland het jodenvraagstuk gemaakt en het anti-semitisme tot zijn brutaalste vorm van pogroms en moordpartijen opgezweept, omdat zij er behoefte aan hebben om een sfeer van verruwing, bloeddorst en dierlijke wreedheid bij hun aanhangers en terreurgroepen te kweken, omdat zij hierdoor een tegennatuurlijke, sadistische “aantrekkingskracht” op de jeugd in de puberteitsjaren willen scheppen, welke jeugd in deze jaren zo gemakkelijk te misvorm en tot vernielzucht en wreedheid te brengen is. Zij hebben deze bloedsfeer nodig, omdat zij voor de onderdrukking der arbeidersklasse en het volk behoefte hebben aan beulen en zij deze in hun beulswerk op de lichamen van de joodse bevolking het gemakkelijkst denken te kunnen scholen.

Inzake dit anti-semitisme heerst in de burgerlijke kringen over het algemeen een groot wanbegrip en zelfvoldane overschatting, waarvan ook de arbeidersklasse de invloed ondergaat.

Men beweert vol zelfvertrouwen, dat “dit anti-semitisch gedoe” bij het Nederlandse volk “niet pakken zal”. Men beroept zich op de christelijke tradities als een dam tegen rassenhaat, men pocht met de eeuwenoude verdraagzaamheid van het Nederlandse volk in de tijden dat het een vreedzame ontwikkeling doormaakte. Als gevolg hiervan wordt tegenover het anti-semitisme vaak niets anders gesteld dan een beroep op de christelijke naastenliefde, of het humane beginsel, dat “alle mensen kinderen zijn van één vader”, ofwel, “dat het evangelie aan alle creaturen gepredikt moet worden” en dat “naar den vleze Jezus zelf een jood was”.

Anderzijds wordt de burgerlijk-democratische “gelijkheid van alle burgers voor de wet” bepleit en wordt het anti-semitisme met sentimentele frases afgedaan.

Deze bestrijding snijdt geen hout, omdat zij de kern van het anti-semitisme niet raakt en dit daardoor kansen krijgt om om zich heen te grijpen. Men kan het anti-semitisme evenmin met christelijk-humanitaire of gerechtigheidsbezweringen bestrijden als men de oorlog en het fascisme zelf daarmee bestrijden kan.

De communisten hebben daarom tot taak het jodenvraagstuk en de bestrijding van het anti-semitisme vanuit het proletarische klassestandpunt en vanuit het belang van de nationale bevrijdingsstrijd te belichten. Zij moeten ook hun eigen positieve oplossing van het jodenvraagstuk geven.

Natuurlijk is het noodzakelijk allen, die het nationaal-socialisme en anti-semitisme bestrijden te verenigen, ook als zij dit uit humanitaire of christelijke overwegingen doen.

Doch het is in de eerste plaats nodig de arbeidersklasse bewust te maken en hen ook tot de bewuste voorhoede van de strijd tegen het anti-semitisme te maken, uitgaande van de klassebelangen van het proletariaat en de belangen van de proletarische revolutie.

Deze vereisen DE ABSOLUTE EENHEID, GESLOTENHEID EN SOLIDARITEIT van ALLE arbeiders als klasse en van het gehele werkende volk, ongeacht afkomst of godsdienst.

Het is deze eenheid, die de nazi’s het meest vrezen en het is juist in naam van deze eenheid, dat het anti-semitisme als een gevaarlijke vijand bestreden moet worden.

Bij dit grote belang, de eenheid van het Nederlandse volk tegen zijn EIGEN en vreemde onderdrukkers, treden alle beschouwingen over rassenvraagstukken en godsdienst op de achtergrond.

De communisten zijn voorstanders van volledige assimilatie der joden, van hun totale opgaan in de Nederlandse natie en het uitwissen van alle overblijfselen van verschillen, in het belang van de ontwikkeling van de Nederlandse natie en van de joden zelf.”