in ‘Toen niet, nu niet, nooit’ van Truus Menger

Truus Menger, Toen niet nu niet nooit

Blz. 97 1944 Hannie en Jan
Hannie werkte weer samen met Jan Bonekamp. Ze waren nu al een tijd weg. We wisten dat ze een klusje opknapten, maar wat dat precies was wist niemand. Het wekte wel ergernis, dat een van ons buiten Frans (van der Wiel) om kon werken.
Van onze koerierster, die altijd even blij en opgewekt met haar zwaar beladen fiets van adres naar adres fietste, hoorden we dat ze nog steeds in de Zaanstreek bivakkeerden. Katja, de koerierster, kreeg een bak watersoep en Cor had een stukje brood voor haar. Ze bleef vriendelijk, ondanks haar honger en vermoeidheid. Wij, Freddie en ik, spraken met Cor over Hannie. Speciaal haar student zijn en haar karakter waren het onderwerp van gesprek. Eerst waren we allemaal wat kritisch geweest over haar nogal deftige uitspraak, haar stille aanwezigheid, haar toch wel scherpe uitvallen als haar iets niet zinde. Maar ik vind haar erg vriendelijk en lief hoor, zei Freddie. Het is een toffe meid en niet op d’r bekkie gevallen, vond Cor, maar ze is net als Henk toch van een ander slag, zal ik maar zeggen. Hij had ergens op zitten kauwen en spuwde het trefzeker in de kolenbak. Kijk, zei hij, ik bedoel, als zo’n meissie nou gepakt wordt, wat blijft dan over van die partizanerigheid.

Blz. 98
Weet jij niks van broeder, gooide ik er nogal fel tussenin.
Je moest eens op haar ogen letten, dat zijn ogen van iemand van ons! En ik trok de shag naar me toe en draaide een shagje. Die stomme kleur ook altijd, dacht ik, gek ook, om zo iets te zeggen, en ik boog mijn hoofd. In de korte tijd dat Hannie bij ons was geweest alvorens met Jan eigen werk te doen in opdracht van district Zaanstreek, waren we allemaal erg op haar gesteld geraakt. Zij bleek, net als Henk, toch in onze ploeg te passen. Sterker nog, de discussies waren gedegener, interessanter geworden. Hun bijdrage tot de onderlinge verstandhouding was wel degelijk positief. Henks rake opmerkingen en de woordenwisselingen die daar vaak op volgden maakten ons bewust van onze standpunten. Jan Bonekamp kenden de meesten van ons niet. De keren dat ik hem ontmoette waren op de vingers van een hand te tellen. Een kleine stevige arbeider met een leuke wat brutale kop. Bruin krulhaar, een onverzettelijke kin en een paar harde knuisten. Ik herinner me z’n nogal stevige handdruk bijzonder goed. Ik kon twee dagen niet op de gitaar spelen. . . .
Hij was voor alle commandanten uit de Zaanstreek en Kennemerland een lastige knaap. Bijzonder eigengereid maar ook erg moedig. Wel een knul om mee op pad te gaan, dacht ik. Toch vond ik Hannie en Jan geen ideale combinatie. Die stille Hannie en die overmoedige kordate Jan.
Maar ze zouden zeker spijkers met koppen slaan.

Blz. 99
“Ik ging naar huis”: Wagenweg 24, het huis van Nettie en Mari Andriessen.
Die avond tikte Nettie op mijn kamerdeur. Truus hier is een meisje voor je. Ik had een dutje gedaan en stond slaapdronken in de deuropening. Hé Han, riep ik enthousiast, jij hier, wat machtig. Ik trok haar mijn kamer in. Maar Hannie brak in tranen uit. Ik heb het niet goed gedaan, Jan is gegrepen, snikte ze luid. Stil joh, riep ik geschrokken. Ik haalde een glaasje water voor haar. Ze probeerde te drinken, maar al het water ging door het schokken over haar kleren. Is Jan echt gegrepen, vroeg ik toen? Ik ben weggefietst en Jan is neergeschoten, hoorde ik haar hortend vertellen. Oh nee…! Verder bleef ik sprakeloos. Langzaam herstelde Hannie zich wat. Ik streelde haar haren en hoopte dat ze weer een beetje tot zichzelf zou komen. Je zal me helpen hé, riep ze plotseling, je zal hem uit de handen van de moffen krijgen, ja hé Truus? Ik knikte een beetje stom. Ja, maar hoe? Hannie vertelde alles. Hoe de SD-er Ragut in Zaandam fietste. Eerst had zij geschoten en toen Jan. We hadden afgesproken, dat ik na het schot meteen door zou fietsen en dat deed ik ook, zei ze toonloos, nog nasnikkend.

Blz. 100
Oh, Truus, ze hebben Jan neergeschoten. En ik ben niet teruggegaan om hem te redden. Je kon toch niet weten dat hij gewond was? Morgen gaan we kijken wat we kunnen doen, besliste ik.

Van de verzetsgroep uit de Zaan die een eigen prima inlichtingendienst had, hoorden we dat Jan zwaar gewond als hij was, nog geopereerd zou worden in het Wilhelmina Gasthuis. Ook de groep Zaanstreek overwoog Jan te bevrijden. Die bewuste dag ‘schilderden’ we zo onopvallend mogelijk in de buurt van het WG. Bij elke beweging, bij elk nieuw ziekenvervoer, waren we er als de kippen bij om maar niets te missen van zijn aankomst. Na lange tijd stopte er een ziekenauto. Er stapten twee zwaarbewapende SS-ers uit en twee broeders droegen een draagbaar naar binnen. Boven de dekens lag de donkere krullenbol van Jan. Op dat vreselijke moment realiseerde ik me, dat we niets, absoluut niets konden doen. Waar moesten we met die zwaargewonde man naar toe, ook als we de twee SS-ers neerschoten en de broeders dwongen de ziekenauto richting Haarlem te rijden. oh Jan, Jan, hoorde ik Hannie fluisteren. Toen de deuren zich sloten, nam ik Hannie met zachte drang mee naar onze fietsen. Tersluiks keek ik om me heen. De kans dat de SD ons in de val had laten lopen was echt niet zo denkbeeldig. Hannie liet haar tranen de vrije loop. Vlugger, vlugger dacht ik. Ik trapte mijn karretje richting Haarlem.
Onderweg op de Amsterdamsestraatweg werden we nog gecontroleerd.

Blz. 101
Hannie had een hoofddoek om, want haar opvallende rode haar moest wel verborgen worden. Je wist maar nooit. We konden doorgaan, want we hadden niets bij ons, vonden ze. Het FN-pistool zat gewoon in onze zak. We gingen samen naar Frans en die bracht de totaal ontredderde en zieke Hannie bij Lien en Harm Elsinga. Enige dagen later hoorde ik dat ze de bof had gekregen. Ze was werkelijk doodziek en bleef maar op haar kamertje, alleen met haar verdriet.
Later, veel later hoorden we hoe Jan Bonekamp aan zijn einde was gekomen. Toen hij na de aanslag, met een buikschot, toch nog probeerde weg te komen, klopte hij aan bij een paar oude dames. Deze waarschuwden de politie! Natuurlijk kwam die snel. De toenmalige politie was meestal fout. De neergeschoten Ragut was een politiechef waar al vele malen een aanslag op was gepleegd door de illegaliteit. Hij was niet alleen berucht in de Zaanstreek. De foute politie waarschuwde onmiddellijk de SD. Deze probeerde Jan te verhoren. Toen hij zweeg hebben ze de volgende nacht een z.g. verzetsverpleegster bij hem gelaten, die hem toefluisterde dat, als er nog wat te waarschuwen viel, zij het wel wilde doen. Jans ruggegraat was ook geraakt, hij was toen al blind en stervende. Hij heeft Hannies naam genoemd, in de veronderstelling dat hij met een betrouwbaar figuur sprak. Hij is onder ondraaglijke pijnen gestorven.

Blz. 102
De SD viel diezelfde morgen de woning van de familie Schaft binnen. Met een grote ploeg volk doorzochten ze de woning.
Hannie woonde al lang niet meer thuis en de onderduikster Philine was terug in Amsterdam. De ouders van Hannie werden gearresteerd en als gijzelaars naar Vught vervoerd, waar ze negen maanden gevangen zaten. Hannies haren werden geverfd, om herkenning te voorkomen. Toen ze zich weer bij de ploeg meldde, was het een heel andere Han dan vroeger. Mager met lelijk dof zwart haar en een wit vertrokken gezicht. Niemand roerde het onderwerp Jan aan. Toen we, onwennig en zonder goed raad te weten met onze houding, de werkbespreking met Frans hielden, vroeg Hannie het onmogelijke te doen. Het gevaarlijkste werk moest voor haar gereserveerd worden. We zwegen allemaal, om het haar niet nog moeilijker te maken. Buiten op straat, op weg naar een van die afschuwelijke “klusjes”, die helaas gebeuren moesten, keek ik even opzij. Ik keek in een verbeten gezicht van een Hannie die ik niet kende. Stap af, kommandeerde ik plotseling, hier komen, hier heb je mijn blaffer! Maak er dan nu vast een eind aan, verdomme, Ik schreeuwde het zomaar midden op straat. Partizanen zijn geen zelfmoordenaars, die denken tenminste nog aan hun kameraden, zonder ze op zo’n zinloze manier aan gevaar bloot te stellen. Verdwaasd stond ze midden op straat met mijn pistool in haar hand. Ach stik, riep ze, ze smeet het pistool op straat en fietste hard weg.

Blz. 103
Snikkend fietste ik haar na en we verzoenden ons in de al kalende Haarlemmerhout. Lang zaten we op een bank naast het bord: “Verboden voor Joden”.