Hannie en de dood van Jan

Op 21 juni 1944 pleegden Jan Bonekamp en Hannie Schaft samen een aanslag op de foute politieman Ragut in Zaandam. Hannie loste het eerste schot en vluchtte volgens afspraak.

Na de aanslag spoedde Hannie zich langs allerlei wegen terug naar het onderduikadres in Limmen, waar Trijntje Bult haar aan zag komen. Vanuit het huis van de familie Bult waren Jan en Hannie die ochtend samen vertrokken.

“Ik zag haar in de verte aankomen. Ze fietste heel hard. En van ver riep ze al of Jan er nog niet was. Oh God, dan is er vast wat mis, zei ze, toen ik vertelde dat ik Jan niet had gezien. En weg was ze weer.”

Jan Brasser

Hannie gaat op zoek naar inlichtingen over het lot van Jan Bonekamp en komt onderweg de verzetscommandant Jan Brasser tegen.

“Ik moest nog naar een adres in Assendelft en ik kwam Hannie tegen. Ze was helemaal van streek, want ze was al een poosje naar Jan aan ’t zoeken. Ze hadden namelijk afgesproken dat ze na de aanslag via verschillende wegen elkaar op de provinciale weg zouden treffen. Het was al tegen het einde van de middag en ik beloofde Hannie dat ik het zou uitzoeken. Ik zei: Ga jij maar naar je adres in Limmen, dan kom ik het je vanavond vertellen.”

Jan Bonekamp raakte tijdens de aanslag dodelijk gewond en werd in handen van de Duitse Sicherheitsdienst naar Amsterdam overgebracht. De ploeg die Jan Brasser klaar had staan om Bonekamp te bevrijden hoefde niet meer in actie te komen. Van een contact vernam Brasser dat Jan Bonekamp nog diezelfde dag in het ziekenhuis was gestorven.

“Toen Jan gearresteerd was en dood was, ben ik naar Hannie gegaan. Ze was helemaal van de kaart. Ik zei: Heb je goeie adressen in Haarlem of Santpoort? Ja, dat is wel goed, dat is wel goed. Ik zei: Ga er heen en blijf eerst een poosje rusten. Ik dacht: Ja, je weet ’t nooit hé. Jan en Hannie hadden al heel wat acties samen achter de rug en ik kende hun instelling en methodes. Dus ik dacht: Blijf jij maar eerst een poosje rustig.”

Truus Menger

Na een poos hernam Hannie het werk weer. Ze meldde zich weer op het hoofdkwartier van de Haarlemse RVV, herinnerde Truus Menger zich.

“Toen ze zich weer bij de ploeg meldde was het een heel andere Han dan vroeger. Mager, met lelijk dofzwart haar en een wit vertrokken gezicht. Niemand roerde het onderwerp Jan aan.
Toen we, onwennig en zonder goed raad te weten met onze houding, de werkbespreking met Frans hielden, vroeg Hannie het onmogelijke te doen. Het gevaarlijkste werk moest voor haar gereserveerd worden. We zwegen allemaal, om het haar niet nog moeilijker te maken. Buiten op straat, op weg naar één van die afschuwelijke ‘klusjes’ die helaas gebeuren moesten, keek ik even opzij. Ik keek in het verbeten gezicht van een Hannie die ik niet kende.
‘Stap af’, commandeerde ik plotseling. ‘Hier, hier heb je mijn blaffer! Maak er nu dan vast een eind aan, verdomme.’
Ik schreeuwde het zomaar midden op straat.
‘Partizanen zijn geen zelfmoordenaars, die denken tenminste nog aan hun kameraden, zonder ze op zo’n zinloze manier aan gevaar bloot te stellen.’
Verdwaasd stond ze midden op straat met mijn pistool in haar hand.
‘Ach stik,’ riep ze, smeet het pistool op straat en fietste hard weg.
Snikkend fietste ik haar na en we verzoenden ons in de al kalende Haarlemmerhout.
Lang zaten we op een bank naast het bord: ‘Verboden voor joden’.

Truus Menger (links) en Hannie Schaft in vermomming. Collectie van Truus Menger-Oversteegen, Noord-Hollands Archief.

Philine Polak

In september 1944 schrijft Hannie (‘Jo’) een brief aan haar ondergedoken Joodse studievriendin Philine Polak:

Lieve Philina,

Aangezien mijn pen nog steeds lekt, schrijf ik maar met potlood. Ik heb nl. net mijn handen gewassen. Dat je zo lang niets van me gehoord hebt, is niet mijn schuld: de vorige brief (van 2 weken geleden) moest op een gegeven moment verscheurd worden. Ik vind het erg fijn, dat je het zo goed maakt. Het had ook anders kunnen zijn, en héél anders! I am in the very best of health. Sinds een paar weken ben ik weer in functie, net op tijd, want anders was ik gek geworden. Mijn geestestoestand is nog steeds allerbedroevendst: ik kan geen boek lezen, noch roman, noch studieboek. In mijn vrije tijd brei ik (sic!) een kous!! Komt de situatie je niet bekend voor? Ik ben aanzienlijk minder hard dan ik gedacht had: de kennismaking met de dood is niet meegevallen. En in dit geval was ze wel bijzonder direct. De werkloosheid daarna heeft me ook niet bepaald gekalmeerd. En nu is het te laat. Ik zal nog pogingen doen om de brokstukken van mijn oude ik te redden. Maar dat gaat waarschijnlijk niet meer. De mensen zijn in zo’n feeststemming. Ik zit er bij als een glimlachende Boedha en men verwacht van mij, dat ik óók in feeststemming ben. Het liefst zou ik vloeken. Helaas kan ik dat alleen bij jou en nog een paar mensen. Als straks de oorlog afgelopen is, en jij zit in een hoekje te huilen, kom ik bij jou deze bezigheid ook verrichten. Lieve kind, ik zou graag bij je komen, maar je begrijpt, dat ik op het ogenblik niet weg kan. Het zal dus wel ‘na de oorlog’ worden. Wanneer dat zal zijn? Misschien op mijn verjaardag. Nu word ik melodramatisch: mocht ik je helemaal niet meer zien, dan geef ik je hier enige richtlijnen voor de toekomst a. solidariteit b. voortzetting van ons aller werk. Wij zijn nu eenmaal een twee-eenheid, en intellect is hard nodig voor de zaak, en onze maatschappelijke ombouw (of afbraak opbouw) c. Denk niets lafs van mijn vriend, hij heeft zich prachtig gedragen. Het was te wensen, dat er meer van zulke mensen waren en overbleven. Hij was één van de fijnste kerels, die ik ooit heb ontmoet. Onthou dit, het is heel belangrijk. Philine, tot spoedig ziens.

Hartelijke groeten, Jo.
P.S. Ik vang bijna dagelijks vlooien!

Gedeelte van een brief geschreven door Hannie Schaft aan haar vriendin Philine Polak in Amsterdam, 1944. Foto: Cees de Boer, Noord-Hollands Archief / Collectie Fotoburo de Boer, NL-HlmNHA_5400464403.

Philine: “Ik heb al eerder iets gezegd over haar socialistische idealen, haar geloof in het marxisme, de rol die zij zag voor de intellectueel. Ik geloof daarom dat die brief wel duidelijk is. Misschien moet ik wel iets zeggen over het breien van die sok. Toen ik voor mijn onderduikperiode in Haarlem bij mensen zat in Zeist, is Jo op een dag het nieuws komen vertellen dat mijn vader in Westerbork zat; later is hij omgekomen in Sobibor. In de daarop volgende week was ik niet in staat iets anders te doen dan breien en blijkbaar heeft Jo na de dood van haar vriend dezelfde afleiding gezocht.

U ziet uit de rest van de brief dat ze zeer gedeprimeerd was, zozeer zelfs dat ze dacht niet meer te kunnen genezen. Tegelijk is het merkwaardig dat die reactie haar verbaasde. Hard was zeker niet een overheersende trek in haar karakter, wel zakelijkheid, plichtsbesef, loyaliteit, trouw aan idealen en personen.”

Bronnen:

  • Ton Kors, Hannie Schaft. Het levensverhaal van een vrouw in verzet tegen de nazi’s,
  • Otto Kraan/Jan Brasser, Witte Ko. Herinneringen uit het gewapend verzet
  • Truus Menger, Toen niet, nu niet, nooit